ouderavond

Standaard

Met twee kinderen op de middelbare school voel ik me als ouder eindelijk een beetje een veteraan. Tot een paar jaar geleden was ik nog geneigd om brieven die geadresseerd waren aan De Ouders/Verzorgers Van aan mijn eigen ouders door te spelen. Die fase is inmiddels voorbij. Maar om nou te zeggen dat ik een routinier ben als Ouder met Kinderen Op Het Voortgezet Onderwijs, dat zou overdreven zijn. Zo maken we vanavond kennis met het fenomeen Ouderavond. Op zich is dat natuurlijk niet nieuw, maar de generale repetitie van de voor ons tamelijk nieuwe Voortgezet Onderwijs-etiquette is dat wel. Een beknopt – en niet uitputtend – overzicht.

Binnen een straal van 3 kilometer rond de school gelden de volgende regels:
– onze kleding moet vooraf goedgekeurd worden. Het mag niet te frivool zijn (lees: iets met kleur), maar ook niet te ouwelijk en er mag geen kledingstuk bij zitten wat recent nog door een kind is geleend
– we moeten op tijd komen (dat betekent 2 minuten voor aanvang), zodat we niet de aandacht op ons vestigen bij binnenkomst
– wij dienen ons NORMAAL te gedragen
– Normaal betekent: zwijgen, vriendelijk kijken (maar ook weer niet te vriendelijk want dan ben je een loser), niet aan elkaar zitten, geen gesprekken met andere ouders of (God verhoede) leerkrachten aanknopen en op een onopvallende plek plaatsnemen
– Te vermijden onderwerpen: in eerste plaats de kinderen in kwestie. Verder: onze afwijkingen ten opzichte van de peer group (het houden van kippen, vegetarisch eten, voorliefde voor rommelmarkten, etc). Het vriendje. Politiek. Informatie die verder gaat dan het weer. En eigenlijk is over het weer praten voor losers.
– Er zijn instructies rondom ouders die we wel en ouders die we niet aardig mogen vinden. En dat is ingewikkelder dan het lijkt. Ten eerste worden de uiterlijke kenmerken van de getolereerde ouders samengevat als “gewoon”, “een beetje saai” of “oud”. Ten tweede omdat het lastig inschatten is met wie het klikt in een groep van zo’n 40 andere ouders die allemaal dezelfde instructies hebben gekregen als wij.

Advertenties

verwonderpunten

Standaard

Punten waar ik me deze vakantie over verwonder:

Mensen die met hun verbrande lijven onverstoorbaar in de zon blijven liggen 
Dat iedereen de wekker lijkt te zetten om met zijn handdoek over een stoel een plaats aan het zwembad te bezetten. Om half 9 liggen alle stoelen vol
Dat de aerobicjuf minstens 100 kilo weegt
Mensen die enthousiast klappen als de piloot het vliegtuig aan de grond heeft gezet
Vrouwen die in hun bikini gaan winkelen
Dat Panchi, de huismascotte in de vorm van een gigantische blauwe rubberen vis, mij er meteen tussenuit pikte om mijn broek te stelen. Onnodig te melden dat hij het niet meer kan navertellen.
De hoeveelheden voedsel die mensen van het ontbijtbuffet op hun bord stapelen
Dat de churro’s in Den Haag op de kermis lekkerder zijn dan hier in het home van de Wopper
Dat Hollanders op folkloristische plaatjes niet meer afgebeeld zouden moeten worden met klompen, maar met Birkenstocks.
Dat proppers bij restaurants serieus lijken te denken dat een gemiddeld gezin vier keer per dag zou willen dineren
Dat “Ik heb een toet-toet-toeter op mijn waterscooter” bij Duitsers, Spanjaarden en Engelsen onder de acht jaar een gigantische hit blijkt
Dat ze in het hotel 4 euro voor een ijsje vragen, waar je 100 meter verderop voor de helft van dat bedrag een sixpack koopt
Een bidet met twee standen: een met ijskoud en een met bloedheet water. Dat is de definitie van sadisme, als je het mij vraagt

efteling

Standaard

Hoogtepunten in ons leven worden opvallend vaak afgemeten aan de Efteling. En het resort waarin we met het gezin zijn neergestreken scoort hoog op de Eftelingschaal. Zo had ik op de website al gezien dat er houten olifanten en giraffen in de keurig gecoiffeerde tuin zouden staan, maar de flamingo’s met ingebouwde kerstverlichting waren een smaakvolle verrassing. Het Afrikaanse thema is ook op andere plekken tot in detail doorgevoerd. Zo hebben we een slangenlederen hoofdeinde aan ons bed, ontbijten we in een rieten hut en worden wij deze dagen zelfs getrakteerd op een heuse, uit Afrika afkomstige calima: een hete, gortdroge wind die de temperaturen tot ongekende hoogten stuwt. Hoe Afrikaans wil je het hebben?

Het ontbijtbuffet, met een overvloed aan brood, fruit, vis en kaviaar (!) doet dan weer wat minder Afrikaans aan. Evenals de afmetingen van de gemiddelde bezoeker. Ook de acrobatische Chinezen waar we op getrakteerd oogden wat vreemd in deze context. De hitte en het stof voelen daarentegen echter behoorlijk authentiek.

Soms is het echte leven echter nog opwindender dan de Efteling. Al op Schiphol ontstond commotie toen onze tassen door de scanner gingen. Onze Wes werd direct na de douane aangesproken met de vraag of hij kon opsommen wat er allemaal in zijn rugzak zat. Enigszins gespannen somde hij het riedeltje op: een boek, een zalfje, een zonnebril en een Donald Duck. “Echt niets anders? Denk eens goed na,” drong de douanier aan. Maar iets anders kon Wessel niet verzinnen. De supervisor werd er bij gehaald met een heus explosieven detectie-apparaat om de rugzak grondig te doorzoeken. Wat bleek het geval? Zoals een goede scout betaamt heeft Wes een zonnepaneeltje op zijn rugzak, waarmee hij tijdens het hiken zijn batterijen en gsm oplaadt. Op het scherm van de scanner was echter alleen waar te nemen dat er een draadje vanuit de voering van zijn tas naar een rechthoekig object liep, hetgeen in combinatie met de vreemde kleuren van de zonnecel in de scanner alle alarmbellen deed rinkelen. Zo zie je, van onschuldige scout naar een van terrorisme verdachte jonge crimineel is soms een kleine stap.

Overigens is de rugzak een centraal thema tot nu toe tijdens deze vakantie. Bij het inchecken in het hotel bleek een andere rugzak, die met al onze identiteitspapieren om precies te zijn, spoorloos verdwenen. Al snel concludeerden we dat deze in de, inmiddels in de remise geparkeerde, bus moest staan. En zodoende zijn we al 36 uur verwikkeld in een John Lanting-achtige klucht waarbij de chauffeur nog altijd met onze spullen rondrijdt en wij hem proberen te vangen om de tas terug te krijgen. Tot nu toe zonder resultaat.

Echt, de Efteling is er saai bij.

costa del canaria. Dus.

Standaard

Eigenlijk ben ik een kampeerder. Zo één van de primitieve soort die opleeft als er in de wijde omtrek geen voorzieningen te vinden zijn. Sinds twee jaar gaat er een campingtafel mee op vakantie (handig voor de wijn en de Yahtzee) maar tot die tijd kon ik intens tevreden een paar weken op een matje voor mijn tent zitten. Ik vul met liefde mijn dag met handwasjes, hout sprokkelen, een viergangen maal op één primusje bereiden en ’s avonds met een zaklamp in de hand en een toiletrol onder de arm struikelend op zoek gaan naar een toiletgebouw.

In februari van dit jaar leek het tij te keren. Mijn liefde voor kamperen is onverminderd groot, maar de kinderen hadden buiten ons om een coalitie gevormd met slechts één programmapunt: het moest maar eens afgelopen zijn met dat kamperen. Ze voorzagen een langdradige vakantie zonder internet met ouders die hun ultieme geluk haalden uit dingen als bramen zoeken en ’s middags om één uur al een wijntje uit de jerrycan tappen, verzuchtend hoe heerlijk dit alles was. En, eerlijk is eerlijk, dat is precies wat er gebeurd zou zijn als zij hun punt niet krachtig duidelijk hadden gemaakt. Ik zal de details besparen, maar al snel werd het ons duidelijk dat we zouden moeten zoeken naar een oplossing die het midden hield tussen primitief kamperen (onze wens) en een luxe resort (hun inzet). Zij wonnen.

En zo komt het dat we deze zomer naar Costa del Canaria verkassen. Slechts een dag of tien, dus dat moet te doen zijn. De keuze is op dit oord gevallen vanwege de hoge bejaarden- en homo- dichtheid (aldus betrouwbare statistieken), hetgeen me randvoorwaardelijk leek met een puberdochter met uitgaansambities. Geen tent maar een hotel in koloniaal-Afrikaanse stijl met keuze uit meerdere restaurants, zwembaden, tennisbanen en (jippie) een entertainment team. Op de site zag ik dat ze houten giraffen en olifanten in de tuin-met-tropisch thema hadden losgelaten. Het belooft een dolle boel te worden.

 

luizenmoeder

Standaard

In de nadagen van de basisschoolperiode van mijn jongste besloot ik mijn carrière als moeder een nieuwe impuls te geven. Een combinatie van schuldgevoel en filantropie deed mij besluiten me aan te melden als luizenmoeder. Enkele weken gingen voorbij, maar toen volgde dan toch de oproep of ik mij op een woensdagochtend wilde melden bij de klas van mijn zoon. Tevreden constateerde ik dat ik, ondanks jarenlang consequent mijn snor drukken, serieus werd genomen als kandidaat voor het luizenprogramma.

Op een woensdagochtend maakte ik ietwat gespannen opwachting aan de schoolpoort. Een legertje strijdlustige collega-luizenmoeders stond al klaar met een blik van “dat varkentje zullen we wel even wassen”. Ik voegde me blijmoedig bij hen. Mijn vrolijke “goedemorgen” werd beantwoord met vorsenden blikken. “Zo, een nieuweling?” werd aan me gevraagd. Ik kon niet anders dan dat bevestigen, maar benadrukte snel dat ik hoofdluistechnisch al tamelijk ervaren was. Een dochter met lang haar en gemiddeld tweemaal per jaar een luizenuitbraak in ons huishouden, daarmee hoopte ik een zeker aanzien te verkrijgen. Het effect viel een beetje tegen; het kan zijn dat ik het me verbeeldde, maar ik zag een paar collega-luizenmoeders een stapje naar achter doen en in plaats van respectvol geknik hoorde ik wat afkeurend gegrom. Dit ging minder gezellig worden dan ik me had voorgesteld.

Om kwart voor negen werden wij richting klaslokaal geroepen. De collega’s bleken heuse pro’s en hadden latex-handschoentjes, een schort, een lamp en nog wat andere attributen bij zich die de hygiëne van de onderzoeker zou beschermen en die de potentiële luizendrager snel zou ontmaskeren. Ik had, als beginneling, niets bij me en zuchtend werd mij een paar latex handschoentjes toegeschoven. Dat was het moment waarop mijn carrière als luizenmoeder, die een vliegende start had moeten maken, op voorhand al gedoemd was te mislukken.

De collega’s bleken ieder al sinds groep 1 van hun oudste kinderen beroepsluizenmoeders te zijn. Ze doorgrondden het leven van een hoofdluis totaal; stijl haar wel, kroeshaar niet. Dat hoofdluis alleen op schoon haar zou landen werd resoluut naar het rijk der fabelen verwezen. Lotions en shampoo helpen niet, wel drie maal daags tot bloedens toe kammen boven een wit papier en levende luizen meedogenloos verdrinken in een bakje water met azijn (anders wandelen ze er zo uit, werd mij verzekerd).

Ik was geïmponeerd door hun duidelijke senioriteit op het luizenvlak en begon wat timide aan mijn eerste patiënt. Een Marokkaanse jongen met gemillimeterd haar werd aan mij toevertrouwd. Je hoefde geen Hoofdluis gestudeerd te hebben om te begrijpen dat dit geen aantrekkelijke woonomgeving kon zijn voor zo’n kleine bloedzuiger, maar ik besloot de jongen toch grondig te onderzoeken. Al was het maar om te benadrukken dat ik het ambacht wel degelijk heel serieus nam. Na deze, hoofdluisvrije, jongen volgde een continue stroom van kinderen met kapsels die langzaam opliepen in moeilijkheidsgraad. Kroeshaar, vlechtjes, felgekleurde extensions, gestraight haar, kunstige bouwwerken met speldjes en elastiekjes, ik kreeg er zowaar lol in. De collega’s konden het niet nalaten om af en toe wat commentaar te geven op mijn onderzoeksmethodes. Keek ik wel grondig genoeg in de holte in de nek en achter de oren?

Na een half uur inspectie begon ik onzeker te worden; ik had nog geen enkel besmet hoofd te pakken. Tegelijk had ik de collega’s ook nog geen melding horen maken van ongedierte, alhoewel er af en toe over mijn hoofd betekenisvolle blikken werden uitgewisseld. Zou deze discretie bij de hoofdluisetiquette horen of bespotten ze mijn onderzoeksmethode? De laatste vijf kinderen werden random verdeeld en na grondige inspectie trof ik – tot mijn grote opluchting – een meisje met neten in het haar. Ik moest een kleine jubel onderdrukken. Discreet wendde ik me tot één van de luizenveteranen naast me en vroeg hoe ik hier melding van moest maken. Ik zag het bloed uit haar gezicht wegtrekken toen ze uitstootte:”Waarom vraag je dat? Dat is mijn dochter…”

uit d’oude doosch

Standaard

Ik gooi de slakken die ik in mijn tuin vind over de heg naar de tuin van de buren. Als iemand anders mijn haarborstel heeft gebruikt, koop ik een nieuwe. Ik vind naar Oprah kijken ontspannend. Ik huil soms om RTL-programma’s zoals Extreme Home Make-Over; niet van afschuw maar van oprechte ontroering. Ik hou niet van fruit omdat ik er vieze plakkerige handen van krijg. Ik rijd regelmatig één halte zwart. Slapen is één van mijn grootste hobby’s; belachelijk vroeg naar bed gaan met sokken aan een heimelijk genoegen. Ik ben bang voor enge films en kan ook niet goed tegen schieten. Ik heb een hekel aan ‘s avonds telefoneren en neem dan vaak niet op. Ik sms trouwens sowieso liever dan ik telefoneer. Ik poets meestal maar één keer per dag mijn tanden en flos hooguit twee keer per week. Ik lees recensies van alle nieuwe literaire boeken en praat erover mee, zonder ze gelezen te hebben. Ik maak in mijn hoofd vieze ezelsbruggetjes van de letters op nummerborden die ik tegenkom. Als ik mannen met een gaatje in hun kin zie dan moet ik me beheersen niet mijn vinger erin te stoppen. Ik vertoon rijgedrag waaraan ik me bij anderen erger. Ik zeg in de supermarkt altijd ja tegen alle soorten gratis zegels en gooi ze nog voor ik buiten sta weer weg. Ik lees graag damesbladen, ook hele slechte. Ik doe álles in de vaatwasser, ook als er nadrukkelijk opstaat dat het niet vaatwasserbestendig is. Op congressen scharrel ik gratis hebbedingetjes bij elkaar; zogenaamd voor mijn kinderen maar ik hou ze stiekem zelf. Als ik naast iemand sta die lekker ruikt wil ik aan hem of haar snuffelen. Ik zou graag een paar weken vrachtwagenchauffeur willen zijn. Ik ben te lui om écht rijk te worden.

Voor de enkeling die dacht dat ik in het echte leven edgy, trendy en fierce ben (vrij naar America’s Next Top Model) moet dit een teleurstellend bericht zijn. Mijn excuses in dat geval.

 

bikram

Standaard

Het leek me wel hip om een keer een lesje Bikramyoga te volgen. Je weet wel, een vaste serie bewegingen in een zaal waar het zo’n 40 graden warm is. Ik doe al honderdenvijf jaar aan yoga, ben tamelijk lenig en op een paar maanden na zelf afgestudeerd als yogadocent. Bovendien had ik een paar artikelen over Bikram gelezen. Hoe moeilijk kon het zijn?

Direct bij mijn aanmelding werd me op het hart gedrukt het de eerste keer rustig aan te doen en achterin de zaal te gaan staan met mijn matje. En vooral niet drinken, want dan kun je misselijk worden. Dat stemde niet gerust, maar ik was arrogant genoeg om te denken dat een paar bewegingen met de verwarming een tandje hoger geen probleem zouden moeten zijn. Nog voor de les begon, begon het zweten. Het was niet een beetje warm, het was loeiwarm. En vol. De matten lagen hutjemutje en het was al snel duidelijk dat al deze mensen al vaker waren geweest. Zonder enige moeite stonden een paar zich bij wijze van opwarming (Ha.Ha.Ha.) volledig binnenstebuiten te draaien. Ik begon me wat ongemakkelijk te voelen. Dit was duidelijk voor gevorderden.

De Bikramjuf kwam fris en fruitig en met een zwangere buik binnen en begon ons in rap Engels door de oefeningen heen te praten. De eerste twee bewegingen gingen nog, maar toen ging de zweetkraan volledig open. Om mij heen zag ik allemaal belachelijk strakke mannen en vrouwen schijnbaar moeiteloos een been in de nek vouwen of over de schouder werpen en ik kon alleen maar druppelen en verbouwereerd om me heen kijken. Als dit het effect was van een paar lesjes Bikramyoga dan moest ik mezelf toch maar trakteren op een abonnementje! Met de moed der wanhoop deed ik wat bewegingen mee. De juf sprak me bemoedigend toe, maar ik merkte aan haar dat ze blij was dat ik een beetje uit het zicht stond. Zesentwintig oefeningen lijkt niet veel, maar wel als je ze allemaal drie keer moet doen. Ja, ik werd soepeler door de warmte, maar om nou te zeggen dat ik een toonbeeld van elegantie was zou niet helemaal eerlijk zijn. Na anderhalf uur ploeteren was mijn handdoek volledig doorweekt en begreep ik waarom de meesten in zo’n idiote zwembroek waren gekomen.

Na een kwartiertje onder de kraan te hebben gehangen was het ergste paars uit mijn gezicht weggetrokken en durfde ik me richting uitgang te bewegen. Bij het inleveren van mijn handdoekje dook de juf opeens op. Ik wilde, beschaamd over mijn ondermaatse prestaties, wegduiken, maar ze complimenteerde me glunderend. “Heel knap dat je de eerste keer de hele les binnen bent gebleven zonder flauw te vallen! Het valt niet mee om je een eerste keer tussen alleen maar professionele balletdansers staande te houden.” En nu voel ik me met terugwerkende kracht toch nog heel soepel en stoer. Voor een amateur dan.