make up

Standaard

Er gaat momenteel een filmpje over het internet van een Nederlands meisje met een opvallend authentiek Amerikaans accent. Nu is dat op zich niet zo bijzonder, maar wel bijzonder is haar vaardigheid met kwasten en make-up. Met wat handige streken creëert zij op de helft van haar blote gezicht een totale vamp-look. De andere helft blijft authentiek: kaal en roze.

De reden dat de video me zo trof was de herkenning. Niet zozeer van het indrukwekkende accent of het halve femme fatale uiterlijk, maar van dat halve kale, roze gezicht. Het voornaamste verschil tussen ons is dat bij haar wimpers en wenkbrauwen ontbreken en ik met mijn blonde wimpers en wenkbrauwen een soort kruising ben tussen Sinterklaas en Boris Becker. Het ogenschijnlijke gemak waarmee zij haar gezicht weet te transformeren nodigt meteen uit tot het te voorschijn halen van alle plamuur, potloden en kwasten die ik in huis heb. Dat varkentje zouden we even wassen. Of beter gezegd, dat varkentje zouden we wel even transformeren tot vamp.

Nu heb ik in de loop der jaren vaker dit soort oprispingen gehad, dus zwerft er her en der door het huis behoorlijk wat bruikbaar materiaal. Het enige probleem is meestal mijn gebrek aan geduld in combinatie met een korte aandachtsboog, waardoor ik na één of twee keer gebruik afhaak. En vervolgens vergeet dat ik het heb, waardoor ik het bij een volgende opleving opnieuw aanschaf. Maar dit keer pakte ik het systematischer aan: uit alle krochten van het huis (lees: uit alle nog niet uitgepakte verhuisdozen) zocht ik alles wat enigszins op make-up leek bij elkaar en elimineerde vervolgens hetgeen ik in de jaren ’90 heb aangeschaft. Niet alleen omdat het een tikkeltje over de datum was, maar ook omdat ik achteraf moet concluderen dat dit tijdperk niet echt door kon gaan voor het toonbeeld van goede smaak (haarmascara, donkere liplijn?).

Dagelijks zes minuten eerder opstaan om voortaan onberispelijk op het werk te verschijnen klonk niet als een onmogelijke opgave. Ik nam me stellig voor er dit keer echt voor te gaan. Met de laptop naast de spiegel en alle gereedschap binnen handbereik maakte ik een veelbelovende start. En dan is het zes minuten lang een kwestie van de stappen uit het filmpje nauwgezet volgen. Hoe moeilijk kon het zijn?

Al snel bleek dat veel spullen en een vaste hand niet voldoende zijn. Ten eerste vereist het een goed inzicht in de werking van licht en schaduw. Laat ik hier kort over zijn: mijn gezicht deed wat denken aan zo’n Scream-masker. Ten tweede kom je niet weg met iedere kleur. Zo leek het na het aanbrengen van lippenstift op de voorgeschreven manier alsof ik een zak paprikachips had leeggegeten. En last but not least: als het eenmaal is aangebracht moet je eraf blijven. Aan het eind van de dag had ik opvallend veel weg van Alice Cooper.

Kortom, ik slaap maar gewoon zes minuten langer door en beperk me tot het inkleuren van de witte wimpers en wenkbrauwen. En zodra roze de trend wordt weet je waar je het als eerste hebt gezien.

VT-Wonenhuis

Standaard

Sinds een dag of tien wonen we in een VT-Wonenhuis. De kussenhoezen kleuren bij de vaas, er staat een fris ogend plantje in de badkamer en de hal, normaal epicentrum waar schoenen, schooltassen en losse gymspullen zich verzamelen, ziet eruit als een serene Zen tempel. Inclusief kaarsen. Het zit namelijk zo: we willen dit huis verkopen om vervolgens ons kamp elders op te slaan. Na grondige studie van talloze Funda foto’s, woonbladen en blogs van ijverige verkoopstylistes was de conclusie dat je je huis nooit kwijt gaat raken als je niet minimaal bij elkaar kleurende kussenhoezen, vazen en kaarsen hebt. Vandaar.

De boel werd niet zomaar VT-Wonenfähig; daar ging een periode van intensieve reorganisatie aan vooraf. Het blijkt dat twaalf jaar cumuleren van spullen met vier personen zich niet van de ene op de andere dag in kasten, doosjes en mandjes laat dwingen. Sterker nog: daar was zo nu en dan grof geweld voor nodig. En vuilniszakken. Veel vuilniszakken.

Het enthousiasme over de Funda-foto’s van familie en vrienden is veelzeggend en zelfs een beetje pijnlijk. Conclusie: misschien hadden we al eerder een keer de boel moeten opruimen. Maar naarmate het huis leger en netter wordt dringt zich wel een existentiële vraag op: wat is in vredesnaam het nut van kussenhoezen die bij de vaas kleuren? Waarom zou je een plantje in je badkamer willen zetten? Om maar te zwijgen van kaarsen in de hal. Daarnaast voel ik me langzaam transformeren tot een obstinate Mien Dobbelsteen die met een dweil achter huisgenoten aan rent en op het punt staat om de telefoon een sopje te geven omdat dat zoveel frisser oogt. Het begint uit de hand te lopen. Als er een kopje op het aanrecht blijft staan lijkt het meteen een puinhoop in zo’n hysterisch netjes huis.

Dat is waarom vanaf nu het regime VT-Wonen twee punt nul ingaat. Een huis dat niet meer helemaal op een etalage lijkt, maar waar we gewoon in gaan wonen. Met, voor als er kijkers komen, appeltaartgeur uit een spuitbus. Want er echt een bakken geeft opeens wel weer heel veel troep.

natuur

Standaard

Ik mag mezelf graag een natuurmens noemen, want ik heb een tuin en ik kan zeker tien verschillende vogelsoorten opnoemen. Dus dat we tijdens onze vakantie een paar grote natuurreservaten aan zouden doen was helemaal in mijn straatje. Nu heb ik door een bijzondere genetische speling van het lot twee totaal verschillend geprogrammeerde kinderen op de wereld gezet. De één bouwt hutten, maakt kampvuren en slaapt zelfs bij bar weer graag in een tent. De ander vindt natuur vies en dat wat in de natuur leeft vervelend en/of eng. Om aan beider voorkeuren te voldoen stonden er ook wat steden zonder al teveel hinderlijk groen op het programma.

De Grand Canyon ging nog wel. Weliswaar valt het onder de noemer natuur, maar het had ook fotobehang van goede kwaliteit kunnen zijn. Zo perfect uitgelicht, zulke esthetisch gekozen kleuren en zo knap qua compositie, dat kon gewoonweg geen echte natuur zijn. De keurig geasfalteerde wegen, de shuttlebus die netjes op tijd reed en de bewegwijzering die de bezoeker wees op interessante punten deden eerder denken aan de Efteling dan aan een natuurwonder (NB: de meeste hoogtepunten in ons leven worden gerelateerd aan de Efteling. Iets dat qua look & feel aandoet als Efteling is bijzonder positief). Zelfs de elanden en herten, wiens bestaan al op verkeersborden werd aangekondigd, verschenen stipt rond zonsondergang en deden hun natuurdingetje door langs de weg te gaan staan en keurig te poseren voor passerende bezoekers.

In Yosemite was de natuur aanmerkelijk rauwer en de infrastructuur minder gecultiveerd. Bergen, beken en hoogvlaktes wisselden elkaar af. Herten waren zoals ze horen te zijn: schichtig en watervlug. Eekhoorns bleven uit de buurt van wandelaars en delen van het reservaat waren onbegaanbaar vanwege verschuivende rotsen, onvoorspelbare modderstromen en dat soort Echte Natuur Dingen. Als zelfverklaard natuurmens voelde ik me in Yosemite meteen op mijn plek: natuur is echt mijn ding en ik respecteer de grootsheid en grilligheid van een omgeving die al bestaat sinds mensenheugenis. Maar ik ben ook een realist. Dus toen mijn stadskind wees op de borden die waarschuwden voor beren hoorde ik mijzelf als kenner iets zeggen als: Natuurlijk staan er waarschuwingsborden dat er beren zitten. Dat is voor de toeristen; die vinden dat bij wilde natuur beren horen. Dus zetten ze die borden neer. Dat draagt bij aan hun ervaring. Mijn stadskind was er niet gerust op.

’s Avonds, toen wij veilig net buiten het reservaat op het terras voor ons appartementje een zak chips verorberden hoorden we plotseling achter ons een geluid uit de struiken komen. Het was onmiskenbaar iets groots dat ons naderde. Aan de instincten van mijn stadskind mankeert niets, dus voor ik besefte dat ik iets gehoord had, was stadskind weggerend, de zak chips voor de potentiële beer achterlatend. In de hoop dat deze chips met barbequesmaak zou verkiezen boven Stadskind. Uit de struiken kwam vervolgens een gezette Mexicaan tevoorschijn die op ronde was om alle vuilnisbakken binnen te halen. Een maatregel om te voorkomen dat er beren op het complex kwamen, vertelde hij. Nog een onderdeel van de berenmythe.

De volgende dag togen wij gevieren weer naar het reservaat. Op een lieflijk plekje aan een stromend riviertje tussen de hoge rotsachtige bergen maakten we kamp. Een klein strandje om op te zonnen, stenen om een dammetje mee te bouwen en water zo helder dat we de vissen konden zien zwemmen. Geen mens te zien, alleen het heerlijke geluid van water, zoemende insecten en kwetterende vogels. Terwijl ik met natuurkind goede rotsen verzamelde om een mooie stroomversnelling te maken, waadde stadskind een stukje verderop dromerig door het water, op zoek naar een plekje waar de stroom rustiger was en het water diep genoeg om te zwemmen. Tevreden aanschouwde ik het tafereel: eindelijk was stadskind ontspannen.

Maar toen ik nog eens goed keek zag ik een stukje verderop iets bewegen. Achter stadskind zwom onmiskenbaar iets groots naar de overkant. Iets bruins met een vacht bewoog soepel door het water. Enigszins gespannen riep ik mijn stadskind bij me; kijk maar even niet achterom zei ik, terwijl in de verte een bruine beer de kant op klom, zich uitschudde en daardoor opeens drie keer zo dik werd.

Er is geen spectaculair einde of wijze moraal aan dit verhaal. Maar als ik toch een poging doe zou het er ongeveer als volgt uitzien:

  • geloof de bordjes
  • natuurmensen weten niet alles
  • of misschien wel: juist zelfverklaarde natuurmensen zijn naief als het om échte natuur gaat.

cultuur

Standaard

Omdat je je kinderen toch iets van de Vaderlandse cultuur wilt meegeven togen wij gisterenavond naar de Toppers in Concert. Het kan nooit kwaad als jongvolwassenen hun klassiekers kennen en op dit muzikale evenement wordt de fine fleur van het Nederlands muzikaal cultuurgoed ten gehore gebracht. Ik zeg: leermoment.

Naar een dergelijk evenement ga je niet onvoorbereid. Al maanden geleden is het centrale thema nationaal bekend gemaakt. Dit jaar zou het thema 1001-nacht het concert net dat tikje mystieke luister bijzetten. Aldus begon een zoektocht naar een paar accessoires die ons nog verder zouden doen opgaan in de ervaring. Met de hulp van wat eveneens cultureel geïnteresseerde collega’s beschikten we daags voor het concert over een keur aan Oosterse en wat minder Oosterse rekwisieten.

De ietwat frisse temperatuur op de concertlocatie en de catering, bestaande uit bier en bitterballen, riepen niet direct de associatie met 1001 nacht op, maar de verdere ambiance was onmiskenbaar Oosters. Ik kan me niet herinneren tijdens reizen naar het oosten zoveel djellaba’s, lovertjes, blote buiken en/of sluiers te hebben gezien. Een enkeling had het thema wat ruim geïnterpreteerd en was als matroos of in schooluniform gekomen, maar voor het overige was het een kleurrijk geheel.

De zangers maakten hun entree – heel verrassend – op een vliegend tapijt en na het openingslied met de passende titel 1001 night werd het al snel wat ingewikkelder om de rode draad te blijven herkennen. Van Pikketanussie tot Mariane Weber en Oasis kwam langs en de verwarring werd compleet toen Grand en Forsyth in compleet country & western tenue het podium betraden. Hadden zij het memo niet gekregen? Ze leken zelf gelukkig geenszins gegeneerd dat zij als cowboy en cowgirl tussen 60.000 Aladins stonden.

De avond vorderde en de stemming steeg. Het publiek kon tekstvast meezingen dankzij de ondertitels die op grote schermen meedraaiden. Het was al snel duidelijk dat de drie heren van de topact deze tekst niet konden zien. Op een aantal mensen na, die keken alsof ze eigenlijk een klassiek kamerconcert hadden verwacht, raakte het publiek in vervoering van de keur aan muzikale hoogtepunten. Van Jan Smit tot Tavares, van Bij Ons in de Jordaan tot O Sole Mio, het kon allemaal op vocale bijval rekenen.

Rond middernacht op de A4 richting Den Haag, passeerden we de ene na de andere auto met oosters uitgedoste types. Als je niet beter wist zou je denken dat er sprake was van een Arabische invasie. Maar als je zojuist gezamenlijk hebt meegezongen met Najib Amhali’s Amsterdam-medley dan besef je dat verbroedering helemaal niet zo ingewikkeld hoeft te zijn.

Sint

Standaard

Ik had er een beetje een hard hoofd in. Niet omdat ik een bepaald voorgevoel had, maar omdat deze week het programma, waar zo’n beetje mijn hele team al meer dan een jaar mee bezig was, tot een apotheose kwam. Mijn lobby om het Sinterklaasfeest op het werk naar kerst te verplaatsen was op weinig uitgelopen. Ik had er alleen uit kunnen slepen dat het op 6 december zou plaatsvinden en dat was al iets beter dan op de dag van de livegang zelf. Zo zag ik mezelf een half uur voor het evenement als een roepende in de woestijn over mijn lege afdeling dwalen. Een enkele medewerker die me niet had zien aankomen werd onherroepelijk in de kraag gegrepen om me te vergezellen naar de Sinterklaasborrel.

De foyer zag er Sinterklaasfähig uit: er stond een passende troon, er waren kannen vol warme chocolademelk en glühwein en banketletters lagen over de statafels verspreid. De sfeer begon er aardig in te komen en mijn collega-managers en ondergetekende zaten helemaal in onze rol als barpersoneel. Net voor de entree van de Goedheiligman kreeg ik van de organisator de lyrics van Sinterklaasje Kom Maar Binnen Met Je Knecht in de handen gedrukt met de nadrukkelijke opdracht om het lied luidkeels in te zetten zodra de Sint in beeld kwam. En zo geschiedde. Het leek alsof de Sint een zekere podiumvrees had. Na het eerste couplet stond hij nog steeds aarzelend bij de kapstok en de geestdrift van het lied zakte enigszins weg. Uiteindelijk bereikte hij de troon en ik moet zeggen, afgezien van zijn iets te korte tabberd en goud gespoten instapschoenen zag hij er professioneel uit. De bijbehorende Piet was een beetje timide en had een vreemde blonde pluk uit zijn baret hangen. Voor een Piet stond hij er ook wat statisch bij.

Na een toespraak door onze baas was het woord aan Sinterklaas (onbedoelde rijm). De goedheiligman draaide warm op een nieuwe medewerker uit mijn team, waarover het organiserend comité hem had ingefluisterd dat zij spekkoek en cakes bakte voor haar collega’s. De Sint bleek echter niet tekstvast en begon met de opmerking dat ze mooie lippen en een goed figuur had. Vervolgens liet hij haar onder enige dwang en zeer tegen haar zin een liedje zingen dat zij eigenlijk niet kende. In ruil voor deze vernedering ontving zij een handje stoffige pepernoten.

Had ik aanvankelijk het gevoel dat de Sint zich nog zou kunnen ontpoppen tot een begenadigd cabaretier, al snel werd duidelijk dat hij eigenlijk alleen maar eng en een beetje schunnig was. De volgende op het lijstje was ook een medewerker van mijn afdeling die – godzijdank – nog niet binnen was. Er volgden diverse collega’s waarbij respectievelijk grappen over het kruis van Sinterklaas, het onder dwang zingen van liedjes en een Zaanse verhoormethode over grammatica aan de orde waren. Mensen begonnen voorzichtig richting de uitgang te schuiven en de managers begonnen zich steeds openlijker af te vragen of ingrijpen aan de orde was.

Tot mijn schrik zag ik mijn verlate medewerker alsnog binnenkomen. Ik wist hem net op tijd dwingend toe te fluisteren DAT HIJ GEEN VRAGEN MOEST STELLEN MAAR METEEN WEG MOEST. NU. Er begon zich een patroon af te tekenen. Op de namen die de Sint uit zijn boek voorlas riep steeds vaker een enkeling die was overgebleven in de zaal “Die is er niet”. Uiteindelijk gebeurde dat zelfs als de persoon in kwestie in de zaal stond. De Sint had nog niet uitgesproken dat hij zou gaan vertrekken of hij kreeg zijn staf in zijn hand gedrukt en werd met zachte druk richting uitgang gemanoeuvreerd. De paar overgebleven bezoekers enigszins uit het lood geslagen achterlatend. De overvloedige hapjes voor de paar overgebleven mensen werden in rap tempo weggewerkt en het feest was teneinde.

Volgend jaar toch maar weer een kerstborrel.

voedselbank

Standaard

Het was even zoeken naar het juiste adres, maar toen ik het afgelegen distributiecentrum eenmaal gevonden had kon ik meteen aan de bak. Als nieuwkomer werd ik aan het begin van de productielijn gezet, naast Tonnie die de kratten in elkaar zette en tegenover Wilma die in iedere krat een flesje Crystal Clear deed. En dan kwam ik dus. Als nieuwe vrijwilliger mocht ik me ontfermen over de aardappelen. Iedere krat een kleine plastic zak met piepers, dat moest zelfs een nieuweling lukken.

Naast me stond Fred die door zijn baas gestuurd was. Freds baas deed aan Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen. In de praktijk draaide dat er op uit dat Fred één keer per jaar een halve dag vrijwilligers werk moest doen in de uren van de baas. Het jaar was bijna voorbij en Fred had nog niks gedaan, dus dit was een valreep actie. Toen vorige week bleek dat hij ofwel bejaarden in rolstoelen door een park moest duwen of een ochtend moest helpen voedselpakketten voorbereiden was de keuze snel gemaakt. Fred was niet zo van de buitenlucht. En ook niet van bejaarden, maar daar kwam hij slecht weg. De harde kern van het Voedselbankteam bestond namelijk uit gepensioneerden die zich ontpopt hadden tot professionele vrijwilligers.

Iedere keer als Tonnie een krat in elkaar had gezet legde Wilma haar flesje erin, ik mijn plastic tasje met piepers en Fred twee potten bruine bonen. Daarna schoof de krat verder over de band waar er nog allerlei ander proviand werd toegevoegd: brood, tomaten, snoep, een kleurboekje voor Sinterklaas, spruitjes, croutons, vlokken en nog veel meer. Aan het eind van de band werd iedere krat op een rolkar geplaatst en uiteindelijk werden de rolkarren richting de diverse kerken, buurthuizen en andere afhaalpunten vervoerd met busjes. Het was een indrukwekkend efficiënt logistiek proces.

Wilma en Tonnie bleken doorgewinterde weldoeners. Beide zetten zich al jaren met een zekere verbetenheid in voor talloze goede doelen en ze zetten ook vanochtend stevig de schouders eronder, want ze hadden nog meer te doen. Terwijl Tonnie in een hoog tempo de kratten in elkaar zette en ze geroutineerd over de band richting Wilma rolde ging het gesprek van de beste Intratuin in de regio via de nadelen van diepvries groenten en anorexia naar de plotselinge incontinentie van Tonnies man. Tussendoor werd er flink gemopperd en gezucht als de boel stagneerde want zowel Tonnie als Wilma had een vervolgafspraak – de één zou als vrijwilliger in een schoolbibliotheek staan en de ander zou de boodschappendienst begeleiden. Ze stonden dus onder heftige tijdsdruk.

Geïspireerd door zoveel filantropisch enthousiasme probeerde ik ijverig het hoge tempo bij te houden. Het duurde even voor ik handigheid kreeg en me af en toe – desgevraagd – met het gesprek kon bemoeien. Toen ik de pieperfase achter de rug had promoveerde ik naar de rode kolen en werd ik steeds serieuzer genomen door mijn door de wol geverfde gepensioneerde Voedselbankzusters. Al snel werd ik in vertrouwen genomen over de spanningen binnen het vaste vrijwilligersteam, over de dominante coördinator (door de dames steevast “dictator” genoemd) die aan de kant gezet is na een ruzie met iemand die hoog in de voedselketen van de lokale Voedselbank zat. De roddels, de fysieke mankementen van de diverse medewerkers, de wijzigingen in de pikorde van het team. Aan het eind van de rode kolen was ik diep ingewijd in de mores van de Voedselbank. En concludeerde ik dat ik geen professionele vrijwilliger wil worden, maar gewoon lekker vrijwillige vrijwilliger wil blijven.

retraite

Standaard

Al op de parkeerplaats bij het klooster concludeerde ik dat het weleens een interessant weekend kon worden. Terwijl ik mijn tas met yogamat uit de kofferbak haalde, pakte de oudere dame naast me uit haar auto een gigantische tuba. “Komt u ook voor het orkest?” vroeg de dame met authentiek Brabantse tongval. “Nee, ik kom voor de yoga,” antwoordde ik lafhartig. Het volledige verhaal, namelijk dat ik samen met zeventig andere overspannen Randstedelingen en een paar geïmporteerde Swami’s een weekend kwam zwijgen, leek me op dat moment een te grote cultuurclash.

Binnen het Capucijnerklooster werd de tegenstelling compleet. Het sobere pand werd bevolkt door een orkest van minimaal dertig Brabantse best-agers (mooi nieuw woord voor jong-bejaarden) met aanhang. Daarnaast zat een obscuur groepje luidruchtige jongeren dat zich onder de titel “De toekomst van Brabant” een weekend lang met allerlei onduidelijke thema’s bezig hield. En last but not least zwierf er een groep van zeventig zwijgende yogi’s door het pand onder de bezielende leiding van drie in oranje gehulde Swami’s.

Terwijl de yogi’s fanatiek naar innerlijke stilte zochten op de eerste etage, werd een etage lager in de kapel driftig gerepeteerd. Ontbijt, lunch en diner vonden gelijktijdig plaats in dezelfde ruimte, waarbij de muzikanten in een Oktoberfest-achtige setting aan lange tafels zaten, terwijl de zwijgende yogi’s poogden in serene rust hun maaltijd “mindful” te verwerken. Waar het orkest tot in de late uurtjes vrolijk doormusiceerde onder het genot van veel drank, ging het zwijgende gezelschap na het avondcollege naar bed. Om zich de volgende ochtend rond vijven weer te melden voor de volgende ronde yoga, lezingen en meditatie.

Het was in alle opzichten een verhelderend weekend. Maar één van de meer concrete inzichten is toch wel dat puntje bij paaltje Brabantse bejaarden een stuk gezelliger zijn dan een groepje tobberige yogi’s.